15/01/2026
De Nisse en zijn mooie vondst
Een oud volkswezen uit Scandinavië.
De Nisse hoort bij een huis of een erf, daar waar mensen wonen en werken.
Hij waakt over de schuur, het vee, de voorraad, de kleine orde van alledag.
Onopvallend, zwijgzaam, praktisch.
Hij is er het hele jaar door.
Juist ook in de rommelige tijden: dooi, modder, druppelende daken, wanneer de winter zijn grip verliest maar de lente nog ver weg is.
In oude verhalen verspilt hij niets.
Wat voor mensen versleten of afgedaan is, kan voor hem nog waarde hebben.
Hij ziet nut waar anderen afscheid nemen. Niet uit sentiment, maar uit zorg voor wat blijft.
En aan dat wezentje moest ik vanmorgen denken, toen ik met mijn honden op stap wilde gaan in de dooiende sneeuw.
Toen ik buiten kwam met de honden, vond ik iets onverwachts terug op de oprit.
Een handschoen, helemaal nat, half kapot, opgedoken uit de dooisneeuw.
Het was de handschoen die Eric vlak voor de zware sneeuwval was verloren, toen hij bezig was met de auto’s. Dat raakte me, omdat deze handschoenen ooit van mijn vader waren geweest.
Waarschijnlijk had hij al die dagen onder de sneeuw gelegen: verdwenen, en nu ineens weer daar. Een herinnering die terugkwam.
Helaas was de handschoen beschadigd en niet meer draagbaar. Misschien een teken van mijn vader dat het tijd is om oud zeer los te laten.
En terwijl ik hem oppakte, moest ik ineens denken aan huiskabouters.
Niet de kabouters van paddenstoelen en puntmutsen, maar die stille soort.
Die onder het huis wonen, of bij de schuur.
Die alles zien, maar zich zelden laten merken.
Behalve dan… als het dooit.
De Nisse
Toen het begon te dooien, werd de Nisse mopperend wakker van het water dat van het dak drupte, langs de stenen, precies op de plek waar hij altijd sliep. Dat was nieuw. De winter hoorde stil te zijn.
Hij kroop overeind, trok zijn jas recht en keek naar buiten.
De sneeuw was weggezakt en dun geworden.
Hier en daar stak de aarde door het wit heen.
Modder. Nat en donker.
Alles was anders dan gisteren.
Hij liep een rondje, schopte tegen een bergje natte sneeuw en bromde:
“Altijd hetzelfde. Eerst kou, nu nat. Dat wordt weer modder aan m’n voeten.”
En toen zag hij de handschoen.
Al die tijd bewaard onder het wit.
De Nisse bekeek hem, vond dat dit geen plek meer was voor zoiets, en sleepte hem naar zijn plek onder de schuur. Hij schudde het water eruit, vouwde hem een beetje op en knikte tevreden.
Een perfecte voorraadzak.
Voor zaden, steentjes, touwtjes. Dingen die nog van pas komen.
Tevreden vulde hij zijn nieuwe voorraadkast en veegde zijn huisje schoon.
Daarna ging hij weer naar buiten en ging op een steen zitten.
Luisterend. Ruikend. Kijkend. Wachtend.
Want de dooi, dat wist hij, is geen einde.
Het is het moment waarop dingen weer tevoorschijn komen.
Wat voor mij een afscheid is, wordt voor hem iets nieuws.
En misschien is dat precies wat de dooi doet:
niet alles teruggeven zoals het was,
maar wel laten zien dat loslaten ook ruimte maakt voor iets nieuws.