13/11/2025
Met Tydinghen in het Klein Begijnhof.
Traag betreden we het Begijnhof Onze-Lieve-Vrouw Ter Hoyen (Lange Violettenstraat) ter ontdekking van een wereld waar rust en stilte belangrijk waren. Op bijgaand schilderij van Carlos Tremerie
stappen begijnen in 1899 naar het huisje waar een van hun medezusters opgebaard ligt. Plassen hier en daar en daken die gedeeltelijk sneeuwvrij zijn geven aan dat de dooi ingetreden is. Ook het gras binnen de omheining links heeft de sneeuwlaag overwonnen. Bij de toegang tot het sterfhuis staat de draagberrie waarmee de overledene straks zal weggebracht worden voor de begrafenisdienst in de Onze-Lieve-Vrouw Presentatiekerk, enkele tientallen meters verder.
Wie is de overledene? Dankzij Kristel De Wulf en Cecile Vanooteghem, medewerksters van het Documentatiecentrum voor Streekgeschiedenis (www.dsmg.be) werden enkele begijnen
geïdentificeerd die overleden in januari 1899: Eugenia Acke (5 jan), Maria Julia Bauwens (10 jan), Philomena De Wulf (23 jan). Ook in februari en maart 1899 overleden enkele begijnen, maar gezien
de precieze dag waarop de kunstenaar dit werk schilderde onbekend is, blijft het gissen naar wie de overledene is die opgebaard ligt in het sterfhuis. Van Maria Julia Bauwens bestaat er een bidprentje dat ons leert dat zij afkomstig was van Eeklo en dat zij bijna 21 jaar in het begijnhof verbleef.
De verbouwingen uitgevoerd sinds Carlos Tremerie dit beeld op doek zette in 1899 maken het moeilijk om de precieze locatie van het sterfhuis te identificeren. Eén mogelijkheid is dat de
overleden begijn opgebaard ligt in huisje 217, in wat vroeger de Achterstraat heette. Mogelijk is ze ook overleden in dit huisje, dat de naam draagt van de Heilige Feodora.
De aanwezigheid van een behoorlijke portie sneeuw herinnert ons hoe ijzig koud de winters eertijds aanvoelden. Je kunt het schilderij dan ook beschouwen als een getuigenis over het klimaat toentertijd. Met échte winterse weersomstandigheden dus. Carolus Tremerie was 41 jaar oud toen hij zich door de modderige, smeltende sneeuw waagde om dit droevige tafereel te vereeuwigen. Opvallend is dat hij ongeveer 5 jaar later hetzelfde hoekje van dit begijnhof schildert, maar nu in zomerse tooi. Ergens tussen 1905 en 1920 schildert hij dit begijnhof nog eens vanuit een andere invalshoek; ditmaal weer met een winters uitzicht. Hoe geboeid door de seizoenen en door dit begijnhof was deze Gentse artiest!
Wanneer precies dit begijnhof –ook gekend als Klein Begijnhof- van start ging weten we niet. Wél was er in de 13de eeuw waarschijnlijk al een groep vrouwen die zich hier installeerde. Zij verkregen
ook een kapel (met priester) en een kerkhof. Ooit woonden hier 300 begijnen. Vandaag omvat deze heerlijke plek zowat honderd begijnenhuisjes, veelal uit de 19de eeuw. Net als de andere begijnhoven is ook dit erkend als UNESCO Werelderfgoed.
Gedurende de 17 de eeuw kende dit begijnhof haar hoogtepunt. Vanaf de 18de eeuw was er sprake van achteruitgang. Tekort aan financiële middelen noopte de begijnen ertoe om in 1862 hun plek te verkopen aan de (Duitse) hertog van Arenberg. Na WO 1 werden de bezittingen van deze en andere Duitsers geconfisqueerd. Vijf jaar later kochten de begijnen hun oord van gebed en stilte terug. Na WO 2 bleek de geleidelijke achteruitgang van het begijnenleven definitief ingezet. In 2004 verliet Hermina Hoogewijs als laatste begijn deze zalige plek.
De naam Ter Hoyen geeft aan dat er hier ooit een weide was (op de oever van de Benedenschelde). Heden is de vzw Begijnhof OLV Ter Hoyen (www.kleinbegijnhof.be en https://www.facebook.com/kleinbegijnhofgent) de eigenaar. Zij verhuurt de gebouwen of geeft ze in erfpacht.
Carolus Tremerie, geboren en overleden in Gent (1858-1945) is bekend om zijn werken in olieverf, maar hij maakte ook aquarellen en tekeningen. De kunstenaar zag het levenslicht in de Stoppelstraat (een zijstraat van de Oude Houtlei) en woonde vanaf 1899 in de Sint-Lievenslaan. Zijn artistieke opleiding genoot hij aan de Gentse Academie. Bij zijn onderwerpen tref je stadszichten van zijn geboortestad Gent, maar ook landschappen, stillevens en portretten. Herfst en winter toont hij liefst in zijn werk, net als avondlijke sfeer. Inzake stijl wordt hij bij de impressionisten gerekend. Het Salon van Gent in 1899, waar Carolus Tremerie dit schilderij verkocht, ging door in het Casino. De stevige reputatie van het Salon uitte zich onder meer in het grote aantal deelnemers ook uit de omliggende landen. Uitzonderlijk was beslist dat vanaf de allereerste editie ook vrouwelijke kunstenaars welkom waren. Tussen 1792 en 1965 werd het Salon 51 maal georganiseerd op min of meer vaste tijdstippen (vaak 3- tot 4-jaarlijks).
Robert Declerck
“Het sterfhuis (Onze-Lieve-Vrouw ter Hoye begijnhof)”, olieverf op doek (131,3 x 194,5 cm), Carolus Tremerie, gedateerd 1899. Bezit van het Museum voor Schone Kunsten Gent (www.msk.be),
aangekocht tijdens het Salon van Gent 1899, inventaris 1934-W. Nu in langdurige bruikleen aan het Gentse stadhuis. Fotograaf onbekend.