14/05/2026
Het aankomende weekend naar Groningen toe met een Rampjaar 1672-wandeling.
Als opwarmertje een gedicht van Joost van den Vondel.
Op de doorluchtige zege van Groninge. aant. *
Alias inter caput extulit urbes.
O GRONINGE , pilaer en hooftstadt van de Vriezen, (1)
Van waer begint men best t'ontvouwen uwen lof?
Uw bouheer Grunus most u tot zijn wijk verkiezen, (3)
Zoo vroegh voor Christus komste, en boude hier zijn hof;
Of liever, zoo men zegt, de broêr van 't hooft der Franken (5)
Ontworp u arm en slecht. nu, sestigh jaer geleên (6)
En noch vijfhondert, most gy uwe stichters danken, (7)
Die u bevestighden met toornen, graft en steen: (8 )
Maer namaels, aengegroeit in maght en burgeryen,
Ontzaeghtge min 't gewelt, en proefde menighwerf (10)
Het wisselbaere lot des oorloghs onder 't stryen,
Doch noit met meer gevaers van 't uiterste bederf, (12)
Dan toen de Keurvorst en de Vorst van Munster t'zaemen,
Gesterkt met Fransche maght, u vielen op het lijf,
Met gloênde kogelen u overstulpen quamen, (15)
En teffens out, en jongk, en maeght, en man, en w**f (16)
Zich quijtende, noch storm, noch doots gevaer ontzagen, (17)
Tot dat de vyanden verlieten uwen wal,
Na zulck een zwaer verlies, en droeve nederlaegen,
Waerop de zegegalm zich uitspreide overal.
Uw schermheer RAVENHOOFT , hebt gy, naest Godt, te loven (21)
Voor uw behoudenis. dees terger van de doot (22)
Bewaekte u, tot dat gy het onheil quaemt te boven,
En stont de stormbuy uit van bommen vier en loot. (24)
O GRONINGE , uit het puin en asch en stof verrezen,
Vergeet de weldaet niet, die Godt u heeft bewezen.
J. v . VONDEL .
* Van 1672. - Volgens de tekst van de afzonderlike uitgave in plano (Unger no. 718).
OPSCHRIFT : Op 28 Aug. 1672 moesten de bisschop van Munster en de keurvorst van Keulen het beleg dat zij 9 Juli om Groningen geslagen hadden, met groot verlies opbreken door de moedige tegenstand der stad, onder aanvoering van Rabenhaupt.
Het m o t t o , ontleend aan Verg. Ecl. I 24, betekent: Zij steekt het hoofd boven andere steden uit.
1 Vondel denkt hieraan het oude Friesland, dat zich over Groningen tot in Oost-Friesland uitstrekte.
3 Uw bouheer Grunus: volgens de renaissancistiese fantasie zou Grunus of Gruno de stichter van Groningen geweest zijn (vgl. Friso als stamvader van de Friezen en Baeto van de Batavieren); wijk: toevlucht.
5 Deze broeder en de Frankenkoning zijn legendaries en niet bekend.
6 Ontworp: ontwierp, maakte het bouwplan; slecht: eenvoudig.
7 most gy danken: waart gij dank verschuldigd.
8 bevestighden: versterkten; graft en steen: grachten en burchten
10 proefde: ervoer.
12 't uiterste bederf: de ondergang.
15 overstulpen: overstelpen, oorspr. overdekken, dus rijkelik bestrooien.
16 teffens: gezamelik, gelijkelik.
17 storm: bestorming.
21 Ravenhooft: vertaling van Rabenhaupt.
22 terger: trotseerder.
24 stont uit: doorstondt.